Waarom weet ik pas achteraf wat ik had willen zeggen?
Je legt in een overleg uit waarom de planning zo niet gaat lukken. Halverwege neemt een collega het van je over: "Wat je eigenlijk bedoelt, is dat je meer tijd wilt."
Dat is niet wat je bedoelt. Maar je knikt en zegt: "Ja, zoiets."
Het overleg gaat verder naar het volgende punt.
In de auto naar huis wordt het je duidelijk wat er tijdens de vergadering aan die samenvatting niet klopte. Je zegt deze keer hardop wat je eigenlijk wilde zeggen, maar niemand is bij je in de auto.
Twee dagen later: Je leidinggevende vraagt wat je nodig hebt om je project af te werken, en je zegt dat het wel zal lukken. Er komt op dat moment niets anders in je op, maar je weet van jezelf dat het eigenlijk niet mogelijk is. 's Avonds, bij het koken, ga je in gedachten na hoe je het gesprek met je baas anders had kunnen voeren.
Achteraf liggen die woorden zo voor de hand dat het lijkt alsof ze er de hele tijd waren. Waarom waren ze er dan niet toen het ertoe deed?
Dat je pas achteraf weet wat je had willen zeggen, hoeft niet te betekenen dat je traag bent of niet goed uit je woorden komt. In een gesprek dat je raakt, moet je tegelijk volgen, voelen en woorden zoeken, en daar is dan minder ruimte voor.
Soms lag wat je wilde zeggen er al, soms krijgt het pas later vorm. Een betere zin klaarleggen lost dat niet vanzelf op. En niet alles wat je achteraf had willen zeggen, moest ook gezegd worden.
De woorden kwamen wel
Wie dit vaak meemaakt, trekt er gemakkelijk een conclusie uit over zichzelf. Dat je traag bent. Niet gevat. Niet assertief genoeg. Dat je gewoon niet goed uit je woorden komt wanneer het erop aankomt.
Kijk nog eens naar wat er gebeurde. De woorden kwamen wel. Een uur later waren ze er, helder en precies. Wat er in het gesprek ontbrak, was dus niet je woordenschat of je vermogen om iets duidelijk te zeggen. Het verschil zat niet in wat je te zeggen had, maar in wanneer het beschikbaar was.
Dat wil niet zeggen dat vaardigheden er nooit toe doen. Sommige mensen zijn vlotter in een discussie dan anderen, en je kunt dingen leren zeggen die je vroeger niet kon. Maar wanneer je iets thuis moeiteloos kunt verwoorden en in het gesprek zelf niet, is taalvaardigheid niet de verklaring.
Wat er in het gesprek zelf gebeurt
In zo'n gesprek gebeurt veel tegelijk.
Je volgt wat de ander zegt, je merkt wat het met je doet, je gaat na wat jij ervan vindt, en je zoekt daar woorden voor. Liefst ook nog op het juiste moment.
In een rustig gesprek gaat dat vanzelf. Wanneer er iets op het spel staat, blijft niet alles even goed bereikbaar, en is er minder ruimte om dat allemaal tegelijk te doen.
Dat ziet er niet altijd hetzelfde uit.
Er komt gewoon niets.
Of je zegt iets wat redelijk klinkt maar niet is wat je bedoelde, zoals dat "ja, zoiets". Je lacht mee terwijl je het eigenlijk niet grappig vond.
Of je bent in je hoofd al bezig met hoe je antwoord zal vallen, zodat je maar half hoort wat er gezegd wordt. Dat zijn geen types of karaktertrekken, maar manieren van reageren onder spanning.
Wat er later komt
Na het gesprek wordt er niets meer van je gevraagd en wacht niemand op je antwoord.
Je bent niet plots slimmer geworden; er is gewoon weer ruimte.
Wat er dan komt, kan twee dingen zijn.
Soms lag wat je wilde zeggen er al, en kon je er in het gesprek alleen moeilijk bij.
Soms ontstaat het pas later, doordat je erover nadenkt en het voor jezelf op een rij zet. Achteraf voelen die twee hetzelfde, alsof je het de hele tijd wist. Maar dat is niet altijd zo.
In geen van beide gevallen lag de zin klaar om uitgesproken te worden.
Wat je achteraf weet, is daarom geen maatstaf voor wat je toen had moeten zeggen.
Het vertelt je wel iets over wat jij ervan vindt. Niet over wat je collega bedoelde.
Niet alles moest gezegd worden
Niet alles wat je achteraf had willen zeggen, moest ook gezegd worden. Het moment, de verhouding met de ander, wat je ermee wilde bereiken en hoe groot het eigenlijk was: dat speelt allemaal mee.
Iets redelijks zeggen, of niets, was soms helemaal niet verkeerd, ook al voelt het achteraf zo.
De ‘betere zin’
Na zo'n gesprek doen meesten iets heel menselijks.
Ze nemen het nog eens door, zoeken de zin die ze hadden moeten zeggen, en nemen zich voor dat ze hem de volgende keer klaar zullen hebben.
Voor een gesprek dat je ziet aankomen, kan het goed zijn om te weten wat je wilt zeggen.
Alleen moet de zin die je nu in alle rust bedenkt, straks beschikbaar zijn in precies het soort moment waarin je woorden er de vorige keer niet waren. Dat verklaart waarom de volgende keer soms zo op de vorige lijkt, hoe goed je zin ook was.
Wie na een gesprek blijft terugdenken, kan zich daarom één ding afvragen:
Ben je vooral de 'betere zin' aan het bedenken, of kijk je naar het moment waarop je hem niet vond?
Het eerste is heel menselijk, en het kan even rust geven. Maar het houdt je bezig met wat je had moeten zeggen. Het tweede kijkt naar iets anders: wanneer het moeilijk werd, en wat er toen van jou nog bereikbaar was.
Het moment waarop je de zin niet vond: waaraan je het kunt herkennen terwijl het gesprek nog loopt.




