Hoe herken ik dat ik mezelf verlies?
Je collega vraagt of jij dat laatste stuk vandaag nog kunt afwerken.
Je agenda zit eigenlijk al vol. Je weet dat ook. Toch hoor je jezelf zeggen: “Ja hoor, komt goed.”
Het gesprek gaat verder. Je denkt er verder niet meer over na. Tot je die avond je laptop opnieuw openklapt en merkt dat je geïrriteerd bent. Niet eens alleen omdat je nog moet werken. Vooral omdat je nu pas beseft dat je eigenlijk nee had moeten zeggen. Soms gebeurt bijna het omgekeerde. Een gesprek thuis triggert je. Je merkt dat het je raakt, maar in plaats van erop te reageren, word je juist heel rustig, overdreven rustig. Je houdt het bij de feiten. Je verantwoord jezelf in de hoop dat het conflict daarmee uitgeklaard wordt. En vooral je probeert redelijk te blijven.
Pas wanneer het gesprek voorbij is, komt er weer iets anders boven: wat je eigenlijk had willen zeggen. Of dat je gekwetst was. Of dat je helemaal niet akkoord ging.
Door de ogen van anderen gebeurt er in beide situaties misschien weinig bijzonders. Alleen werd onderweg iets van jou moeilijker bereikbaar:
Wat vond ík hiervan?
Wat wilde ík eigenlijk?
Wat had ík op dat moment nodig?
Dat is het moment waar deze vraag over gaat.
Wat je merkt is zelden de spanning zelf
Veel mensen zoeken het signaal in hoe gespannen ze zich voelden.
Dat is begrijpelijk, maar het brengt je niet ver. Je kunt behoorlijk gespannen zijn en ondertussen precies weten wat je wilt. En je kunt uiterlijk kalm blijven terwijl je jezelf nauwelijks nog bereikt.
Het bruikbare criterium is een ander. Het gaat om wat er van jou beschikbaar blijft terwijl de situatie doorloopt.
Wat vind ik hiervan?
Wat wil ik?
Wat heb ik nodig?
En is er nog meer dan één reactie mogelijk?
Zolang die vragen tijdens het moment te beantwoorden zijn, ben je er nog bij, ook wanneer je getriggerd bent. Worden ze moeilijker bereikbaar, dan begint er iets te verschuiven.
Meestal neemt dan een vertrouwde beweging steeds meer over wat er gebeurt: uitleggen, meegaan, zorgen, afstand nemen, scherper worden, of niets meer voelen. Die bewegingen zijn niet verkeerd. Ze zijn snel, omdat ze ooit ergens gewerkt hebben. Lastig worden ze pas wanneer ze ook opkomen in situaties waarin ze je niet langer helpen.
Dat is op drie plaatsen af te lezen: in je lichaam, in waar je aandacht naartoe gaat, en in wat je doet.
Waar je het aan kunt zien
Wat hieronder staat zijn plaatsen om te kijken, geen lijst om jezelf mee af te toetsen. Eén signaal op zichzelf stelt waarschijnlijk niets vast.
In je lichaam
Je ademhaling wordt oppervlakkiger of stopt heel even. Je borst verstrakt, je buik trekt licht naar binnen, je kaak zet zich vast. Bij de een is het vooral onrust of warmte, bij de ander is het juist het omgekeerde. Koude handen, verstarring, of het gevoel dat er plots weinig meer is.
Dat laatste wordt gemakkelijk gemist. Weinig voelen is niet hetzelfde als er goed bij zijn.
In je aandacht
Je aandacht verschuift. Je bent vooral bezig met de ander. Hoe die kijkt, wat die zou kunnen denken, wat er straks nog rechtgezet moet worden. Of je aandacht gaat juist naar binnen en vernauwt zich tot het argument dat je aan het opbouwen bent.
In beide gevallen is het gevolg hetzelfde: wat jij ervan vindt, komt minder in beeld. Soms merk je het aan iets kleins, zoals dat je halverwege een gesprek niet meer helemaal volgt. Je knikt nog. Je luistert gedeeltelijk, maar vanop afstand.
In wat je doet
Je gaat sneller praten, of juist trager en voorzichtiger. Je legt uit wat je bedoelde terwijl niemand daarom vroeg. Je zegt ja voordat je gevoeld hebt wat je antwoord wilde zijn. Je neemt de spanning in de kamer op je en probeert die op te lossen.
Of het gaat de andere kant op. Je wordt kort en zakelijk. Je haakt af zonder het te zeggen. Je neemt afstand op een manier die achteraf groter blijkt dan je bedoelde.
Ook je grens hoort hier. Dat je pas merkte dat je er overheen ging toen je er al overheen was, is een van de
meest herkenbare vormen, en tegelijk een vraag op zichzelf:
waarom voel ik mijn grens vaak pas wanneer ik er al over ben?
Een gespannen kaak, vermoeidheid, afstand nemen of meegaan bewijst op zichzelf niet dat iemand zichzelf verloor. Een signaal kan een uitnodiging worden om te onderzoeken.
Wanneer kan je spreken of zelfverlies en wanneer niet
Spanning voelen betekent niet noodzakelijk dat je jezelf kwijt bent. Je kunt getriggerd, boos, onzeker of moe zijn en nog steeds goed weten wat je vindt en wat je wilt.
Ook meegaan, zwijgen of afstand nemen zegt op zichzelf relatief weinig.
Misschien kies je daar bewust voor. Misschien vind je iets niet belangrijk genoeg om er een punt van te maken....
Het verschil zit daarom niet alleen in wat je doet, maar in wat er tijdens dat moment nog voor jou beschikbaar is.
Kun je nog merken:
Dit vind ik ervan,
Dit wil ik wel of niet,
Dit raakt mij,
Ik kan hier iets mee doen,
Maar ik kan ook iets anders kiezen?
Dan is er spanning, maar ben je jezelf niet noodzakelijk kwijt.
Het wordt anders wanneer die ruimte kleiner wordt.
Je bent nog in het gesprek, maar je eigen standpunt raakt moeilijker bereikbaar.
Je zegt ja voordat je hebt kunnen voelen of je dat wilt. Je blijft uitleggen terwijl je eigenlijk wilt stoppen. Of je trekt je terug en merkt pas later wat je had willen zeggen.
Vaak wordt dat pas achteraf duidelijk:
Daar wilde ik eigenlijk niet mee akkoord gaan.
Dat raakte me meer dan ik dacht.
Waarom heb ik daar niets van gezegd?
Niet omdat achteraf spijt hebben bewijst dat je jezelf verloor.
Wel omdat het een reden kan zijn om terug te kijken: kon ik op dat moment nog merken wat voor mij klopte, of werd dat onderweg moeilijk bereikbaar?
Dat is de vraag waar het hier om draait.
Kort gezegd: Jezelf verliezen merk je meestal niet doordat de spanning stijgt, maar doordat je minder goed voelt wat je er zelf van vindt. Ondertussen doet een vertrouwde reactie het werk: uitleggen, meegaan, zorgen, afstand nemen of scherp worden. Je ziet het aan je lichaam, aan waar je aandacht naartoe gaat, en aan wat je doet.
Waarom je het vaak pas achteraf merkt
Er zit iets ongemakkelijks in deze vraag. Wat je nodig hebt om het te zien, ruimte om op te merken en te onderscheiden, wordt juist smaller naarmate er meer van je gevraagd wordt. Je aandacht vernauwt precies op het moment dat je ze het breedst zou willen hebben.
Dat verklaart waarom mensen achteraf vaak feilloos kunnen uitleggen wat er gebeurde, terwijl ze er middenin geen vat op hadden.
Dát het gebeurt is één vraag. Waarom het bij jou gebeurt en waarom juist die beweging verschijnt, is een andere: waarom verlies ik mezelf onder spanning?
Hoe herkennen zich kan ontwikkelen
In de praktijk zie ik dat het zelden gaat van niets naar alles.
Voor veel mensen lijkt het ongeveer zo te gaan: Eerst merk je achteraf wat er gebeurde. Later soms halverwege. Of in het moment zelf, zonder er volledig in mee te gaan.
Er staat geen ‘correct’ tempo op, het bouwt niet altijd netjes op, en het hoeft niet bij iedereen zo te gaan. Dat je het nu pas achteraf ziet, is in elk geval geen mislukking. Het is vaak waar de herkening begint.
Eén moment om naar terug te kijken
Neem één moment van de afgelopen week waarvan je achteraf dacht: daar raakte ik een deel van mezelf kwijt. Kon je op dat ogenblik nog merken wat jij nodig had? Wat merk je nu op als je hieraan terugdenkt? (Iets in je lichaam, aan waar je aandacht heen gaat, of wat je de neiging hebt om te doen?)
Er hoeft niets te veranderen en of iets bijzonders bij te winnen. Komt er niets naar boven, dan zegt dat iets over hoe snel het ging, niet over jou. Eén moment is genoeg. Een reeks momenten naast elkaar leggen wordt zelfonderzoek, en dat is iets anders dan kijken.
Wat het niet bewijst: Eén moment is één moment. Het is niet noodzakelijk jouw patroon. De situatie of hoe jij of de ander reageerde staat hier los van. Wat je voelde zegt iets over jou en je noden op dat moment. Het zegt niet wat er feitelijk gaande was.
Wat dit wel en niet zegt
Vier dingen worden makkelijk voor hetzelfde aangezien, en juist daar concluderen mensen soms dat ze falen.
Achteraf herkennen is wat deze tekst je realistisch kan helpen doen, en het is genoeg om mee te starten.
Op het moment zelf leren waarnemen en bijsturen kan hieruit verdergroeien, maar onder omstandigheden die een tekst niet kan maken. Er moet genoeg gebeuren om iets zichtbaar te laten worden, en er moet genoeg van jou overblijven om erbij te zijn.
Onderscheid kunnen houden terwijl het doorgaat is het vermogen dat dit mogelijk maakt.
En daadwerkelijk iets anders kunnen kiezen is de stap die daarop volgt. Dat is niet wat deze pagina voor jou kan doen. Herkennen is de voorwaarde, niet het resultaat.
Er hoort nog iets bij, en het wordt vaak over het hoofd gezien.
Meer opmerken is niet hetzelfde als meer aankunnen.
Wie scherper gaat waarnemen zonder dat het vermogen om erbij te blijven meegroeit, merkt vooral dat alles zwaarder wordt. Die twee horen samen te groeien. Iets dat we bij Aceso draagkracht noemen.
De bruikbare toets is eenvoudig: merk ik meer op dan vroeger, en kan ik er ook bewust weer uit als ik dat wil?
Als terugkijken naar zulke momenten je consequent verder meeneemt dan je op dat ogenblik kunt dragen, of je eerder in een oude ervaring brengt dan in het moment dat je wilde bekijken, dan is dat op dit moment niet aan de orde voor jou. Stoppen is dan een verstandige keuze, geen mislukking.
Tot slot
Herkennen verandert op zichzelf nog niets aan wat je een volgende keer zal doen. Het verandert wel waar en hoe je ernaar kijkt. Niet naar wat je verkeerd deed, maar naar het moment waarop wat jij vond, wilde of nodig had minder bereikbaar werd, en naar de plaats waar je dat kon zien.
Hoe kan ik aanwezig blijven wanneer spanning stijgt?
Wat er in het moment zelf gebeurt, en wat daarbij kan helpen.




