
Waarom pas ik me steeds aan?
- Matthieu Bosmans
- 2 jul
- 6 minuten om te lezen
Je staat in de supermarkt en iemand rijdt met een kar bijna tegen je aan. Die persoon kijkt niet op, zegt niets en gaat gewoon verder. Jij voelt heel even irritatie opkomen, misschien zelfs een duidelijke grens. Maar nog voor je er woorden aan kunt geven, is die alweer weg. Je schuift opzij, glimlacht kort en denkt: laat maar. Pas aan de kassa merk je dat je kaken gespannen zijn. Later die dag ben je moe, prikkelbaar en vreemd genoeg ook een beetje leeg. En ergens blijft die vraag hangen: waarom pas ik me steeds aan?
Voor veel mensen gebeurt dit niet alleen in de supermarkt. Ook op het werk, in relaties of thuis met de kinderen. Je zegt ja terwijl je nee voelt. Je neemt de sfeer van een ruimte over zonder dat je het doorhebt. Je merkt snel wat de ander nodig heeft, waar spanning zit, wat handiger is om wel of niet te zeggen. Dat lijkt misschien sociaal, verstandig of volwassen. En soms is het dat ook. Maar er is een verschil tussen bewust afstemmen en jezelf onderweg kwijtraken.
Dat verschil voel je meestal niet op het moment zelf. Je merkt het pas later. In de vorm van onrust in je lichaam, een vol hoofd, vermoeidheid of het vage gevoel dat je de hele dag bezig bent geweest zonder echt aanwezig te zijn. Je hebt gedaan wat nodig leek, maar niet gevoeld wat er bij jou gebeurde.
Waarom pas ik me steeds aan onder spanning?
Mensen passen zich niet aan omdat ze zwak zijn of geen ruggengraat hebben. Meestal gebeurt het omdat hun systeem snel heeft geleerd dat afstemmen veiliger is dan wrijving voelen. Dat kan heel subtiel zijn ontstaan. Niet alleen in grote of ingrijpende situaties, maar ook in omgevingen waar spanning, verwachtingen of onvoorspelbaarheid aanwezig waren.
Misschien was er vroeger weinig ruimte voor jouw tempo, jouw emoties of jouw nee. Misschien werd harmonie onbewust belangrijker dan eerlijkheid. Misschien leerde je dat je pas echt gezien werd als je meedacht, hielp of geen last veroorzaakte. Dan wordt aanpassen geen keuze meer, maar een automatische beweging.
Dat is een belangrijke verschuiving om te zien. Je past je niet steeds aan omdat je het graag doet. Je past je aan omdat je systeem op spannende momenten razendsnel inschat: zo blijft het veilig, zo blijft het contact, zo voorkom ik gedoe.
In je hoofd kun je best weten dat je ook iets anders zou mogen doen. Je kunt al veel inzicht hebben, grenzen begrijpen, zelfs goed kunnen uitleggen waar het vandaan komt. Maar op het moment zelf neemt je lijf het vaak over. Je ademhaling verandert, je aandacht schiet naar de ander, je eigen impuls zakt weg. En voor je het weet ben je weer meegegaan.
De beweging is vaak sneller dan je bewustzijn
Stel: je partner zegt op het einde van de dag dat hij of zij ergens mee zit. Meteen ga jij aan. Je probeert goed te luisteren, stelt vragen, denkt mee, bewaart de rust. Vanbinnen voel je misschien al spanning in je buik of druk op je borst, maar daar ga je overheen. Want eerst moet dit opgelost, uitgeklaard of opgevangen worden.
Pas als het gesprek voorbij is, voel je hoe moe je bent. Misschien zelfs een beetje geïrriteerd. Niet alleen om wat er gezegd werd, maar omdat jij alweer uit jezelf bent geraakt. Je was aanwezig voor de ander, maar niet meer bij jezelf.
Dat is vaak het pijnlijke aan steeds aanpassen. Het ziet er aan de buitenkant competent uit. Zorgzaam. Redelijk. Evenwichtig. Maar vanbinnen is het dikwijls een vorm van zelfverlating onder spanning.
Dat klinkt hard, maar het hoeft niet beschuldigend te zijn. Het is eerder een uitnodiging om preciezer te kijken. Niet: waarom doe ik dit verkeerd? Wel: wat gebeurt er in mij waardoor ik zo snel mijn eigen plek verlaat?
Binnen Aceso noemen we dit vaak een Pleaser
Binnen Aceso noemen we dit vaak een Pleaser. Niet als label, maar als herkenbare beschermingsbeweging onder spanning. De Pleaser voelt snel aan wat anderen nodig hebben en beweegt daar automatisch naartoe. Niet uit oppervlakkige vriendelijkheid, maar omdat afstemming ooit de beste manier was om contact te houden, afwijzing te vermijden of onrust te voorkomen.
Wat deze beweging probeert te beschermen, is vaak iets heel kwetsbaars. Bijvoorbeeld de angst om te veel te zijn, lastig te zijn of de verbinding te verliezen. De Pleaser probeert spanning te dempen door zichzelf iets kleiner, handiger of makkelijker te maken.
Daarom voelt aanpassen vaak niet meteen verkeerd. Het voelt logisch. Bijna vanzelfsprekend. Je bent degene die rekening houdt, die aanvoelt, die niet escaleert. Alleen betaal je daar soms een stille prijs voor. Je eigen grens wordt later voelbaar dan die van de ander. Je weet goed wat iemand anders nodig heeft, maar minder snel wat jij zelf nodig hebt. En als je te lang zo leeft, ontstaat er verwarring. Ben ik nu echt zacht en afgestemd, of durf ik mijn eigen waarheid gewoon niet goed te voelen?
Waarom aanpassen zo hardnekkig blijft
Als je jezelf hierin herkent, is de kans groot dat je al geprobeerd hebt om het anders te doen. Misschien heb je geoefend op grenzen aangeven. Misschien spreek je jezelf toe voor een moeilijk gesprek. Misschien neem je je voor om deze keer echt eerlijk te zijn.
En toch lukt het vaak niet op het moment dat het ertoe doet. Dat komt niet doordat je niet gemotiveerd bent. Het komt doordat een beschermingsreactie sterker wordt naarmate de spanning stijgt. Hoe belangrijker het contact, hoe sneller je oude patroon actief wordt.
Dat zie je vaak in kleine dingen. Iemand reageert kort op een bericht en jij begint meteen te zoeken naar wat jij verkeerd deed. Een collega klinkt gejaagd en jij gaat harder werken. Je kind is overstuur en jij voelt geen ruimte meer voor je eigen vermoeidheid. Het zijn niet alleen losse situaties. Het is éénzelfde beweging: jouw systeem scant de omgeving en past jou aan om spanning beheersbaar te houden.
Daarom helpt het meestal niet om alleen maar strenger voor jezelf te worden. Als je jezelf dwingt om eindelijk eens grenzen te stellen, zonder dat je lichaam zich veiliger voelt, dan schiet je vaak in een andere vorm van spanning. Je wordt harder, scherper of juist helemaal dicht. Dat is niet hetzelfde als echt bij jezelf blijven.
Wat helpt als je je steeds aanpast?
De eerste stap is vaak kleiner dan mensen denken. Niet meteen iets anders doen, maar eerder leren opmerken wanneer je uit jezelf begint te schuiven. Dat moment is vaak subtiel. Je adem stokt. Je buik trekt samen. Je gaat sneller praten. Je voelt de neiging om te sussen, uit te leggen of al op voorhand rekening te houden met wat de ander zou kunnen voelen.
Als je dat leert herkennen, ontstaat er een opening. Geen spectaculaire doorbraak, maar een klein stukje ruimte. Ruimte om te merken: hier ben ik me aan het aanpassen. Hier raak ik mijn eigen ervaring kwijt.
Van daaruit wordt een andere vraag belangrijker dan: hoe stop ik hiermee? De helpendere vraag is vaak: wat heb ik hier nodig om aanwezig te blijven?
Soms is dat vertragen voor je antwoord geeft. Soms is het voelen waar je voeten staan terwijl iemand iets van je wil. Soms is het een eenvoudige zin zoals: ik voel dat ik even tijd nodig heb. Niet om afstand te nemen van de ander, maar om niet weg te gaan bij jezelf.
Waarom pas ik me steeds aan, zelfs als ik het doorheb?
Omdat herkennen niet hetzelfde is als belichamen. Je kunt perfect begrijpen dat je te veel aanpast, en toch blijven doen wat je altijd deed zodra de spanning stijgt. Dat is geen mislukking. Het betekent alleen dat inzicht alleen niet diep genoeg reikt op het moment dat je systeem bescherming nodig acht.
Werkelijke verandering begint vaak wanneer je niet alleen het patroon ziet, maar ook leert blijven in de lichamelijke ervaring die eraan voorafgaat. De spanning. De onrust. De impuls om snel te zorgen, te verzachten of je terug te trekken. Daar aanwezig kunnen blijven, zonder meteen in de automatische beweging te schieten, is iets wat groeit.
Dat vraagt oefening, traagheid en vaak ook contact waarin je dit niet alleen hoeft te dragen. Niet omdat er iets mis is met jou, maar omdat oude beschermingsreacties zelden oplossen door er alleen slimmer over na te denken.
Misschien is dat wel de meest bevrijdende verschuiving. Dat de vraag niet langer hoeft te zijn: hoe word ik eindelijk iemand die zich niet meer aanpast? Maar eerder: hoe kan ik mezelf leren meedragen op het moment dat spanning opkomt?
Van daaruit verandert aanpassen soms niet ineens, maar wel wezenlijk. Je gaat niet harder worden. Je wordt voelbaarder voor jezelf. En precies daar begint iets nieuws. Als je merkt dat je jezelf onder spanning vaak verliest, kan een zelftest of een eerste verkenning van het traject Blijf bij jezelf helpen om scherper te zien welke beweging jouw systeem inzet - en wat het nodig heeft om niet langer automatisch weg te gaan van jezelf.




